Pogingen van Joodsche Raad om het aantal te deporteren Joden te verminderen leverden niets op. Wel stond de bezetter toe dat de Joodsche Raad een systeem van vrijstellingen opzette. Deze waren onder
meer bestemd voor medewerkers van de Joodsche Raad. De Joodsche Raad selecteerde zelf de 17.500 medewerkers die een stempel zouden krijgen. Achteraf is er veel kritiek geweest op deze handelwijze en dan vooral op de selectiecriteria die daarbij zijn
gehanteerd: volgens de critici speelden vriendjespolitiek en corruptie bij de selectie een rol. Het Sperre-systeem bleek een uitstekend middel van de bezetter om verdeeldheid te zaaien.
Naast deze vrijstellingen waren er ook andere groepen Joden die aanvankelijk van arbeidsinzet vrijgesteld waren, zoals gemengd gehuwde Joden, bepaalde categorieën buitenlandse Joden en Joden die voor
1 januari 1941 christelijk gedoopt waren. Verder waren er de zogenaamde 'economisch vrijgestelden', degenen die direct of indirect voor de Duitse oorlogsindustrie werkten. Al deze vrijgestelden kregen een speciaal stempel (Sperre) op hun
identiteitspapieren en waren 'tot nader order' van arbeidsinzet vrijgesteld. De meeste vrijgestelden zijn in de loop van de oorlog toch vervolgd en gedeporteerd.