Op Duits bevel werd in februari 1941 de Joodsche Raad opgericht. Deze organisatie moest de Joodse gemeenschap besturen.
De Duitse bezetter gebruikte de dood van een bij een vechtpartij in de oude Jodenwijk gewonde nationaal-socialist om de Joodse gemeenschap te dwingen een ‘Joodsche Raad’ op te richten, een raad die later een instrument in handen van de Duitsers zou
blijken. Via de Joodsche Raad gaf de bezetter bevelen door aan de Joodse gemeenschap en haar leiders. Ze moest de anti-Joodse maatregelen niet alleen bekendmaken, maar deels ook
uitvoeren.
Het handelen van de Joodsche Raad is omgeven met discussies over de betrokkenheid van de Raad bij de uitvoering van de anti-Joodse maatregelen. De standpunten lopen uiteen van verdediging tot en met het verwijt van collaboratie met de nazi's.