Nadat Hitler in januari 1933 aan de macht was gekomen, probeerden vele Duitsers – Joden en politiek vervolgden – hun land te verlaten en naar Nederland te vluchten. Maar de Nederlandse regering stelde hoge toelatingseisen. Wie niet aan die eisen voldeed, kwam het land niet binnen. In veel gevallen was het gevolg dat ze aan de Geheime Staatspolizei (Gestapo), werden uitgeleverd. In 1934 werd de grens zelfs gesloten, omdat de regering vreesde voor toename van het toch al hoge aantal werklozen. Om te verhinderen dat mensen illegaal het land binnenkwamen, werd de grensbewaking met zeshonderd man uitgebreid.
In 1938 verwoordde Minister C.M.J.F. Goseling van Justitie het vluchtelingenbeleid als volgt: Een vluchteling zal voortaan als een ongewenst element voor de Nederlandse maatschappij en derhalve als een ongewenste vreemdeling worden beschouwd, die derhalve aan de grens geweerd, en binnenlands aangetroffen, over de grens gebracht moet worden.
