Voor Joodse vluchtelingen die naar Palestina wilden vertrekken werd in 1934 in de net drooggelegde Wieringermeer in Noord-Holland een werkdorp ingericht. Daar kregen Joodse jongens en meisjes een opleiding in agrarische beroepen.
De nieuwe stroom vluchtelingen die in 1938 de grens overkwam had tot gevolg dat de Nederlandse regering besloot een vluchtelingenkamp voor Joden te bouwen: kamp Westerbork, in een deel van Nederland
waar weinig mensen woonden, vlakbij de Duitse grens. De kosten van de bouw van het kamp kwamen ten laste van de Joodse gemeenschap in Nederland. Toen de Duitse troepen in mei 1940 Nederland binnenvielen, verbleven in Westerbork ongeveer 750 Duitse en
Oostenrijkse Joden.
Met de overname van Westerbork door de SS op 1 juli 1942 veranderde de functie van het kamp in doorgangskamp. Toen moesten ook Nederlandse Joden zich van de Duitse bezetter melden om naar kamp
Westerbork te worden gebracht. Uiteindelijk zouden via dit kamp omstreeks 107.000 Joden naar de vernietigingskampen in het oosten worden gedeporteerd.
