Op 15 juli 1942 stuurden de Nederlandse protestantse en katholieke kerken een telegram aan de Rijkscommissaris, waarin zij meedeelden ‘diep geschokt’ te zijn door de deportatie van Joden. In het telegram werd ook verwezen naar de christenen onder de Joden: zij konden door deze maatregelen niet langer deelnemen aan het kerkelijk leven. De Duitse autoriteiten reageerden door te stellen dat deze christenen niet zouden worden gedeporteerd en dat aan versoepeling van de maatregelen voor gemengd gehuwden nog werd gewerkt. Het telegram van de kerken mocht niet worden voorgelezen. De aartsbisschop van Utrecht vond echter dat de ‘wereldse overheid niet te beslissen had wat er in onze kerken zal worden voorgelezen’. Op 26 juli werd het telegram toch in de katholieke en ook in een aantal protestantse kerken voorgelezen. De bezetter nam onmiddellijk wraak. Op 2 augustus werd ongeveer een derde van de circa 244 katholieke Joden opgepakt. Kloosters werden uitgekamd, waarbij onder meer een der bekendste kloosterlingen Edith Stein werd gearresteerd. Samen met haar zuster Rosa en andere katholiek gedoopte Joden werd zij uit het klooster gehaald en op 7 augustus vanuit Westerbork op transport gesteld naar Auschwitz. Op 9 augustus werden zij vergast.
