Kort na de capitulatie verschenen de eerste illegale bladen, waarin de Nederlanders werden gewaarschuwd voor de sfeer van onrust, verdachtmaking en laster die de nazi’s rond Joden wilden wekken. Toch nam slechts een enkele ambtenaar ontslag toen zijn Joodse collega’s werden ontslagen. Wel werd hier en daar geprotesteerd, door kunstenaars en vooral op onderwijsinstellingen. Op de universiteit van Leiden en de Hogeschool van Delft werd gestaakt. De bezetter reageerde scherp: de instellingen werden gesloten, de sprekers opgepakt. De zes grootste protestantse kerkgemeenschappen lieten op 25 oktober aan Seyss-Inquart weten dat zij ‘ernstige bedenkingen’ hadden ten aanzien van de anti-Joodse maatregelen. In een deel van de protestantse kerken werd dit bekend gemaakt. Een oproep in o.a. het illegale blad Vrij Nederland om zich te verzetten tegen elke poging van de bezetter ‘om de geesten te beïnvloeden’ had niet veel effect: de meeste ambtenaren tekenden de ariërverklaring.
