Een voorwaarde voor de geplande inlijving van Nederland in het Groot Duitse Rijk, was arisering van de Nederlandse bevolking. De eerste anti-Joodse maatregelen werden genomen zonder dat de
gevolgen daarvan aanvankelijk duidelijk waren. Op 1 juli 1940 werden Joodse medewerkers van de Luchtbescherming uit hun functie ontheven. De leden van deze dienst moesten op papier verklaren dat ze niet-Joods waren: een vroege ariërverklaring. Eind juli werd ritueel slachten verboden, deze maatregel trof vooral orthodoxe Joden. Begin oktober werd het verboden Joden in overheidsdienst aan te stellen of te bevorderen. Alle
ambtenaren werden verplicht de ariërverklaring te tekenen. Eind november werden de Joodse ambtenaren ontslagen. Eind oktober 1940 moesten Joodse bedrijven zich laten registreren, als voorbereiding op overname van Joods bezit.
Op 10 januari 1941 werden Joden verplicht zich te laten registreren. Stap voor stap werden ze geïsoleerd. Geweld werd al langer gebruikt. Leden van de Nederlandse Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) gooiden al in juni 1940 ruiten in bij Joodse winkels en bij uitgaansgelegenheden waar veel Joden kwamen. Die gewelddadigheden zouden na 10 januari 1941 alleen maar toenemen.
