De Joodsche Raad kreeg toestemming van de Duitse autoriteiten voor de uitgave van een weekblad. Daarin moesten dan wel de maatregelen van het bezettingsbestuur, als deze Joden betroffen,
gepubliceerd worden. Plaatselijke afdelingen door heel Nederland vielen onder de Joodsche Raad van Amsterdam. Feitelijk vormde de Joodsche Raad de schakel tussen de Nederlandse en Duitse autoriteiten enerzijds en de Joden anderzijds.
De Raad moest de anti-Joodse maatregelen niet alleen bekendmaken, maar ook voor een klein gedeelte uitvoeren. Na de zomervakantie van 1941 werden Joodse leerlingen niet langer toegelaten tot
de niet-Joodse openbare en bijzondere scholen. De organisatie van het onderwijs voor Joodse kinderen, die allen naar aparte Joodse scholen moesten, viel onder de Joodsche Raad. Op bevel van de Duitse autoriteiten werkte de Joodsche Raad in maart 1942 mee
aan het opstellen van lijsten van Joden die wel een baan hadden, maar desondanks in Nederlandse werkkampen moesten gaan werken.
Na het begin van de deportaties in juli 1942 trad een ingewikkeld vrijstellingssysteem in werking, waardoor tienduizenden Joden voorlopig waren vrijgesteld van deportatie naar Westerbork. Een kwart daarvan werd via de Joodsche Raad vrijgesteld. Zij kregen allerlei baantjes bij de Joodsche Raad, zoals bij de afdeling Hulp aan Vertrekkenden. Uiteindelijk werd duidelijk dat iedereen weg moest, ook Asscher en Cohen, de beide voorzitters van de Joodsche Raad. Asscher overleefde het concentratiekamp Bergen-Belsen en Cohen Theresienstadt.
Razzia’s