De Joodsche Raad werd in februari 1941 in het leven geroepen, op last van de Duitse bezetter. Hij werd opgericht als 'Joodsche Raad voor Amsterdam’ maar kreeg al snel de bevoegdheid over geheel Joods Nederland. De Raad had afdelingen voor hulp aan vertrekkenden, gezondheidszorg, onderwijs en voedseldistributie. Duizenden mensen waren bij het werk van de Joodsche Raad betrokken. Daardoor waren ze tijdelijk vrijgesteld van deportatie. De Joodsche Raad riep weerzin op als instrument van de vervolgers, maar bood ook tijdelijk houvast. Op 29 juli 1943 werd de Raad opgeheven.
Werkzaamheden van de Raad
