Nederland kreeg na de capitulatie in mei 1940 geen militair bestuur maar een Duits burgerbestuur zoals in Noorwegen. Hitler benoemde een Reichskommissar, Seyss-Inquart, die alle
bevoegdheden kreeg die volgens de grondwet aan staatshoofd, ministerraad en parlement toekwamen. Het parlement werd ontbonden. Op de verschillende departementen mochten de hoogste ambtenaren, de secretarissen-generaal, op hun post blijven. Maar boven de
secretarissen-generaal stelden de Duitse autoriteiten Duitse functionarissen (Generalkommissäre) aan. Zij konden wetten, maatregelen en verordeningen uitvaardigen zonder dat de Nederlandse autoriteiten daarop een beslissende invloed konden
uitoefenen.
De maatregelen die al vrij snel werden getroffen om de Joodse bevolking te isoleren werden stapsgewijs ingevoerd om openlijke protesten of onrust te voorkomen.
De Duitse autoriteiten hadden weinig vertrouwen in Anton Mussert, de leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB).
Hijzelf zag zich als de leider van het Nederlandse volk, maar de Nederlanders én de Rijkscommissaris zagen dat anders. De NSB zou een marginale rol spelen in politiek Nederland.
Tegelijk met het ondergeschikt maken van de Nederlandse overheid aan Duits bestuur, werd ook een Duits onderdrukkingsapparaat ingevoerd, de Veiligheidspolitie (Sicherheitspolizei, SiPo)
en de Veiligheidsdienst (Sicherheitsdienst, SD). Aan het hoofd daarvan stond Wilhelm Harster.
