Vanaf het moment dat Joden werden opgeroepen voor tewerkstelling in Nederlandse werkkampen, ging een aantal van hen onderduiken. Men dook zelden met het hele gezin op één adres onder en onderduikers
verhuisden doorgaans van het ene naar het andere adres. Baby's en peuters waren makkelijker onder te brengen dan volwassenen en hadden daardoor de grootste kans om te overleven. Veel Joden wilden wel onderduiken, maar hadden geen contacten met niet-Joden. Anderen wilden niet, omdat ze zich verantwoordelijk voelden voor hun ouders of niet van hun kinderen gescheiden wilden worden. Velen hadden het geld noch een adres om onder te duiken.
Tussen de eerste oproepen in juli 1942 en de laatste grote razzia in Amsterdam (29 september 1943) werden in Nederland 107.000 Joden opgepakt en gedeporteerd. Vanaf oktober 1943 was het Duitse beleid erop
gericht alle ondergedoken Joden op te sporen en naar de vernietigingskampen te sturen. Doodgewone Nederlanders gaven Joden aan voor geld. Zij ontvingen daarvoor van de Duitse autoriteiten 7,50 gulden per persoon.
