De beslissing om onder te duiken was niet eenvoudig. Het betekende dat men een onderduikplaats moest vinden, over geldmiddelen moest beschikken en moest kunnen rekenen op hulp van buiten. Aanvankelijk werd alle hoop gevestigd
op het verkrijgen van vrijstelling van deportatie. Bepaalde groepen Joden konden in aanmerking komen voor een vrijstelling: medewerkers van de Joodsche
Raad, gemengd gehuwde Joden, Joden die nuttig waren voor de Duitse oorlogsindustrie en mensen over wier Joodse status de Duitse autoriteiten nog twijfelden. Zij werden ‘tot nader order’ vrijgesteld voor de arbeidsinzet, maar zo’n vrijstelling bood geen bescherming op langere termijn. Naar schatting doken ongeveer 25.000 van de omstreeks 140.000 in Nederland verblijvende Joden onder. Ongeveer een derde van hen werd alsnog opgepakt.
