Om te kunnen onderduiken was hulp van buitenaf onmisbaar. Er werd zowel individuele hulp geboden als hulp van organisaties. In 1942 werd een landelijke organisatie opgezet voor hulp aan onderduikers, met netwerken in heel Nederland.
Studentenverzetsgroepen legden zich toe op het redden van Joodse kinderen.
Tot de herfst van 1943 smokkelden verzorgsters en leden van verzetsgroepen – met medeweten van de ouders – kinderen uit de crèche die tegenover de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam lag. In
totaal werden ca. 1100 kinderen door verzetsorganisaties naar een veilig onderkomen gebracht.
Medio 1943 beschikten verzetsorganisaties over voldoende adressen, vooral bedoeld om weigeraars voor Arbeitseinsatz onder te laten duiken. Voor het merendeel van de Joden was dit te laat. Zij waren al gedeporteerd.