Joden vormden maar een kleine minderheid in de Nederlandse samenleving. Zij woonden hoofdzakelijk in de grote steden. In 1930 woonde ruim 80% van de Joden in zeven gemeenten met meer dan 1000 Joden: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Groningen, Apeldoorn, Arnhem en Utrecht. Amsterdam was hét centrum van de Joden in Nederland. Uiteindelijk integreerde het grootste deel van de Joden en voelden zij zich vooral Nederlander. Het merendeel van de 140.000 Joden in Nederland waande zich in de jaren dertig van de twintigste eeuw veilig, ook al omdat het land lang geen oorlog had gekend. Van Joden die Duitsland waren ontvlucht en door publicaties in – met name – de socialistische en communistische pers begreep men de ernst van de situatie in Duitsland. Toch dachten de meeste Joden dat een dergelijke uitbarsting van antisemitisme in Nederland niet zou plaatsvinden.
