De Duitse bezetting van Nederland in 1940 maakte een einde aan honderd jaar neutraliteit. De Nederlandse regering had gehoopt dat het leger, met hulp van Engeland en Frankrijk, de vijand zou afschrikken. De verwachting was bovendien dat het Nederlandse
leger de vesting Holland (met de regeringszetel Den Haag en de hoofdstad Amsterdam) enkele weken tot zelfs drie maanden kon verdedigen. Maar de gevechten duurden slechts vijf dagen. Op 14 mei werd Rotterdam vanuit de lucht bestookt. De harde wind wakkerde
de door de bommen veroorzaakte branden aan, en er vielen naar schatting 600 tot 900 doden. De Duitse legerleiding dreigde ook Utrecht te verwoesten. Nederland capituleerde.
Koningin Wilhelmina en haar ministers waren op 13 mei naar de Engelse hoofdstad Londen uitgeweken. Ook veel andere Nederlanders probeerden Engeland te bereiken, maar slechts een gering aantal slaagde daarin. Ongeveer tweehonderd Joden pleegden in die
chaotische dagen zelfmoord.
