De Nederlandse regering in Londen riep eind 1944 het spoorwegpersoneel op om te staken. De bedoeling was Duitse militaire transporten te verhinderen omdat de geallieerden luchtlandingen wilden uitvoeren bij Arnhem. De staking duurde veel langer dan vooraf was voorzien. Daardoor stagneerden de voedseltransporten en uit het bevrijde zuiden konden geen kolen worden aangevoerd. Het gevolg was dat in de strenge winter van 1944-1945 – vooral in het westen van het land, waar de grootste steden liggen – honger en kou werd geleden. De toevoer van voedsel uit het oosten naar het westen werd geblokkeerd waardoor voorraden snel uitgeput raakten. Uit huizen waarin eerder nog Joden woonden en waaruit in veel gevallen al alle huisraad en andere bezittingen waren gestolen, werd nu alles wat brandbaar was gesloopt. Ook werden bomen in parken, lanen en straten omgehakt en tot brandhout verzaagd.
