Per dag gingen gemiddeld 50.000 mensen met karren en fietsen op hongertocht vanuit de grote steden de provincie in. Vooral vrouwen gingen op eten uit, omdat mannen het risico liepen door de bezetter opgepakt te worden. Wie bij de boeren voedsel had kunnen kopen of ruilen tegen waardevolle spullen, liep het risico dat het voedsel bij terugkeer in de stad in beslag werd genomen. Mensen leefden op suikerbieten en tulpenbollen. Wie onderduikers had, kwam nog erger in de problemen. Illegale groepen probeerden voor eten te zorgen. De Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers kreeg in Noord-Holland en Friesland zoveel medewerking dat de organisatie begin 1945 de verschaffing van extra voedsel voor de hele illegaliteit op zich nam. Honderdduizenden stadsbewoners in het westen werden door de honger getroffen. Vermoedelijk stierven 22.000 mensen de hongerdood.
