De
holocaust had nooit plaatsgevonden als
Hitler niet de Tweede Wereldoorlog had ontketend. Die begint met de inval van
nazi-Duitsland in Polen, september 1939. Polen wordt zwaar gebombardeerd en moet binnen enkele weken de strijd staken. Het land wordt opgedeeld tussen Duitsland en de communistische Sovjet-Unie, twee gezworen tegenstanders die kort tevoren een
geheim pact hadden gesloten. De verovering van Polen en later (1941) ook het westelijk deel van de Sovjet-Unie en de
Baltische staten hield eveneens in dat Hitler zeggenschap kreeg over miljoenen
Joden. Hun lot was bezegeld. Dit deel van Europa was getalsmatig en cultureel het hart van
Joods Europa. In Polen woonden in 1939 bij benadering 3,5 miljoen Joden, in de Baltische staten 350.000 en in de
Sovjet-Unie (met name in Wit-Rusland en het westelijk deel van Oekraïne) ongeveer 1 à 1,5 miljoen. De oorlog is in Oost-Europa veel bloediger geweest dan de oorlog in West-Europa, die in 1940 uitbrak. Zagen de nationaal-socialisten de West-Europese landen
nog als ‘Germaanse broedervolken’, de Slavische volken (Polen, Russen) waren in hun ogen minderwaardige
Untermenschen. De oorlog schiep een gunstig klimaat voor de Nazi’s om hard en meedogenloos op te
treden.