Als Adolf
Hitler in 1933 niet aan de macht was gekomen, had de
holocaust niet plaatsgevonden. Daar zijn de historici het wel over eens. De
Joden waren voor Hitler een obsessie. Hij zag de strijd van
Ariërs (een ouderwetse naam voor Indo-Europeanen) tegen Joden als een strijd op leven en dood. In Hitlers
wereldbeeld waren er hogere en lagere rassen; het Arische ras beschouwde hij als superieur. De historische roeping van Duitsland was om het Arische ras te laten overheersen. De Joden waren minderwaardig, een ras dat moest verdwijnen uit de samenleving.
Binnen enkele maanden nadat Hitler op democratische wijze tot kanselier was gekozen, had hij door middel van dictatoriale volmachten in Duitsland de democratie afgeschaft. Als absoluut en charismatisch leider (Führer) van Duitsland werd hij door een groot
deel van de bevolking op handen gedragen. In januari 1939 sprak hij in een rede voor de
Rijksdag de even dreigende als profetische woorden: ‘Als de internationale Joodse financiers binnen en buiten Europa
erin zouden slagen de naties nogmaals in een wereldoorlog te storten, dan zal het resultaat niet zijn dat de aarde bolsjewistisch wordt, en daarmee de overwinning van het jodendom, maar het resultaat zal zijn de vernietiging van het Joodse ras in Europa!’