Kort nadat de nazi’s in 1933 in Duitsland aan de macht waren gekomen, riepen zij een systeem van gevangenkampen in het leven. De kampen waren aanvankelijk bedoeld om politieke en ideologische tegenstanders van het bewind op te sluiten. Het eerste kamp was Dachau (ten noorden van München) dat al in maart 1933 klaar was. De eerste gevangenen waren communisten, sociaaldemocraten en andere politieke tegenstanders van de nazi’s. Vanaf maart 1933 vond de aanduiding Konzentrazionslager (concentratiekamp, afgekort KZ) ingang, aanvankelijk een schijnbaar neutraal begrip. In 1937 werd het kamp Buchenwald geopend en vanaf datzelfde jaar werden in een golf van arrestaties zogenaamde ‘asocialen’, prostituees, psychisch zieken, gehandicapten en werklozen in ‘preventieve hechtenis’ genomen. Na de Anschluss van Oostenrijk, maart 1938, werden ook in dit deel van het Reich op grote schaal mensen opgesloten. Berucht werd het kamp Mauthausen, waar aanvankelijk vooral Duitse en Oostenrijkse politieke gevangenen en later krijgsgevangenen uit heel Europa naar toe werden gedeporteerd. Na de Reichspogromnacht (Kristallnacht), november 1938, werden Joden voor het eerst op grote schaal opgesloten in gevangenkampen. Gedurende de periode 1933-1945 zaten miljoenen mensen gevangen in de concentratiekampen.