In
Hitler-Duitsland was geen plaats voor andersdenkenden. Er werd afgerekend met democratische vrijheden, met andere politieke partijen, vakbonden en vrije pers. En met de Joden. De vervolging en
uitschakeling van Joden uit de maatschappij begon met een
boycot van
Joodse winkels. Er volgden een aantal niet centraal geplande
pogroms tegen Joden er werd een numerus clausus (beperking van het aantal) voor Joodse studenten en een aantal vrije beroepen uitgevaardigd. De
Neurenberger wetten van
september 1935 verboden een huwelijk tussen
Ariërs en niet-Ariërs. Joden verloren hun Duitse staatsburgerschap. De
nazi's schilderden de strijd van het nieuwe
Duitsland tegen 'het internationale jodendom' als een confrontatie met het bolsjewisme, 'het werktuig van de Joden'. De ReichsPogrom nacht van november 1938, ook wel
Kristallnacht genoemd, was de
eerste grootschalige en systematische Pogrom tegen Joden,
synagogen en Joodse bezittingen. Joodse kinderen werden van scholen verwijderd; Joodse winkels en bedrijven werden onteigend. Ze werden geweerd uit
theaters, bioscopen en sportverenigingen. In tal van Duitse steden was het voor Joden verboden om Arische gebieden te betreden. In paspoorten van Joodse Duitsers kwam een grote letter 'J' te staan. Honderdduizenden Duitse Joden zijn vóór het uitbreken van
de oorlog Duitsland uitgevlucht.