In
Sobibor zijn vooral veel Poolse Joden uit de streek rondom Lublin en Joden uit de bezette Sovjet-Unie om het leven gebracht. Cijfers over het totale aantal slachtoffers in Sobibor lopen uiteen. In zijn
standaardwerk over Sobibor noemt Jules Schelvis – zelf een van de zeer weinige overlevenden van Sobibor – een aantal van 192.000. Het gezaghebbende United States Holocaust Memorial Museum gaat uit van tenminste 167.000 slachtoffers in Sobibor. De
nazi’s hebben ook uit Oostenrijk, Slovakije, Bohemen en Moravia, Nederland en Frankrijk treintransporten naar Sobibor georganiseerd. Vanuit het Nederlandse doorgangskamp
Westerbork vertrokken er 19 transporten naar Sobibor. Van de ruim 34.000 Nederlandse slachtoffers zijn er een kleine duizend niet direct vergast, maar eerst te werk gesteld. Van hen hebben slechts 18 Sobibor overleefd. De dwangarbeid gebeurde in
Sobibor zelf of in een van de kampen in de buurt van Lublin. Vanaf de herfst 1942 moesten gevangenen de massagraven in Sobibor opgraven en de lijken verbranden. Om hun misdaad zoveel mogelijk te verbergen gebruikten de
SS een machine om de botten van lijken te verpulveren.