Daags na de opstand werd het kamp
Sobibor op bevel van
SS-chef
Heinrich Himmler gesloten en ontmanteld.
Driehonderd dwangarbeiders uit Treblinka moesten alle sporen van het kamp uitwissen; daarna werden zij zelf om het leven gebracht. Het terrein werd beplant met bomen. Slechts enkele tientallen mensen hebben de doodsfabriek van Sobibor overleefd en het na
de oorlog kunnen navertellen. Net als in Belzec bedroeg het sterftecijfer in Sobibor 99,99%. En net als Belzec is Sobibor eigenlijk geen kamp geweest. In kampen brengen mensen de nacht door. Sobibor was een fabriek, waar bijna iedereen bij aankomst werd
gedood. In de naoorlogse collectieve herinnering van de Nederlandse Joden die de oorlog hebben overleefd, heeft dit kamp, deze doodsfabriek in het oosten van Polen, een lugubere naam en aparte plaats. Bij benadering een derde van alle Nederlandse Joden
die in de oorlog zijn vermoord, is in Sobibor vergast.