Op een door de
nazi-top belegde bijeenkomst in het gastenhuis van de
Sicherheitspolizei aan de Wannsee (een lommerrijk meer aan de rand van Berlijn)
werd op 20 januari 1942 de
Endlösung (definitieve ‘oplossing’) van wat genoemd werd ‘het
Joodse vraagstuk’ besproken. De bijeenkomst stond onder leiding van
Reinhard Heydrich en aanwezig waren veertien topfunctionarissen: diverse staatssecretarissen, hoge ambtenaren en een aantal
SS-officieren, onder wie
Adolf Eichmann.
Hitler zelf was afwezig. Alle Joden uit heel Europa zouden zo snel mogelijk naar het Oosten (Polen) moeten worden getransporteerd, aldus Heydrich.
Het aantal Joden zou daar door middel van harde dwangarbeid, met name in de wegenbouw, moeten worden gedecimeerd. De operatie vereiste dat Europa van West naar Oost moest worden uitgekamd op Joden. Per land werden de details om dit uit te voeren
besproken. Deze zogenaamde Wannsee-conferentie was een scharnierpunt in het lot van de Joden in alle door de Nazi’s bezette landen. ‘Evacuatie naar het Oosten’ was de formule die moest verbloemen dat het om uitroeiing ging. Het jaar na de
Wannsee-conferentie werd het zwartste jaar in de Joodse en de Europese geschiedenis.