Kort na de inval van
nazi-Duitsland in Polen in 1939 werd door het Reichsicherheitshauptamt (RSHA) in Berlijn een groot plan op papier gezet voor de etnische zuivering van Midden- en Oost-Europa. Dit zogeheten
Generalplan-Ost voorzag in de
deportatie van niet minder dan 45 miljoen Polen, Oekraïners en Wit-Russen tot achter de Oeral (West-Siberië). Deze en andere 'raciaal ongewenste volken' moesten plaats maken
voor 8 - 10 miljoen Germanen. Het Generalplan-Ost, bedoeld om de Duitsers meer Lebensraum te geven, hield ook rekening met een geleidelijke en gedwongen Germanisering van Tsjechen, Letten en Esten. Dat waren volken die in de rassenleer van de Nazi's
tussen Germanen en Slaven ("
Untermenschen") in stonden. Het Generalplan-Ost moest na de oorlog in een periode van 25 tot 30 jaar worden ingevoerd. Voor Joden was in het Europa van Nazi-Duitsland
helemaal geen plaats meer. De moord in 1939 op tienduizenden Poolse intellectuelen en leiders, alsmede tal van andere grootscheepse oorlogsmisdaden van de Nazi's in het oosten van Europa, moeten gezien worden als stappen ter realisering van het
Generalplan-Ost.