Het algemene beeld dat de Jodenvervolging in Europa niet of nauwelijks verzet heeft opgeroepen, is onjuist. Met name in Oost-Europa hebben individuele en groepen Joden zich al dan niet gewapend verzet. In tientallen getto’s en zelfs in een aantal concentratie- en vernietigingskampen zijn Joden in opstand gekomen. De opstand in het getto van Warschau in de eerste vier maanden van 1943 is daarvan de bekendste. Om dit verzet te breken hebben de nazi’s huizenblok voor huizenblok opgeblazen; tijdens de gevechten zijn ongeveer 7.000 Joodse strijders gedood en werden 6.000 van hen levend verbrand of vergast in door hen opgeworpen verdedigingsbunkers. In Auschwitz-Birkenau zijn gevangenen er in geslaagd om een crematorium op te blazen. Ongeveer 20.000 – 30.000 Joden hebben zich weten aan te sluiten bij de partizanenbeweging in het door nazi-Duitsland bezette deel van de Sovjet-Unie. In heel Europa zijn vele duizenden Joden geholpen en verborgen door individuele niet-Joodse burgers. In het bezette Denemarken werd de relatief kleine Joodse gemeenschap (7.000 – 8.000 man) vlak voor deportatie naar het neutrale en veilige Zweden overgebracht. In Polen en in de door de nazi’s bezette delen van de Sovjet-Unie stond op het helpen of verbergen van Joden de doodstraf. In Nederland gold dat niet.