Achteraf kunnen we constateren dat er in Europa in de jaren 1933-1945 relatief weinig overtuigde antisemieten nodig waren om de vervolging van Joden te kunnen doorvoeren. Voor de nazi’s was het belangrijkste dat er niet teveel protest ontstond tegen de Jodenvervolging. In het tweede deel van zijn standaardwerk Nazi-Duitsland en de Joden (2007) velt de historicus Saul Friedländer een hard oordeel over de rol van omstanders in de Holocaust. ‘Dit is zo vanzelfsprekend dat niemand het zal bestrijden, en juist daarom is het volgende feit zo belangrijk. Geen enkele maatschappelijke groep, geen enkel kerkgenootschap, geen onderzoeksinstelling of beroepsvereniging in Duitsland of elders in Europa verklaarde zich solidair met de Joden. (...) Integendeel veel sectoren waren direct betrokken bij de onteigening van de Joden en wilden, al dan niet uit hebzucht, graag dat ze helemaal zouden verdwijnen. Met als gevolg dat de nazi’s en aanverwante leiders de Jodenvervolging tot het alleruiterste konden drijven zonder ook maar op één tegenkracht van belang te stuiten.’