Niet alleen de
SS, maar ook de Wehrmacht, het Duitse leger, heeft op grote schaal in Polen en de Sovjet-Unie onschuldige en ongewapende burgers vermoord. Bij de invasie van Polen, september 1939, zijn
meer dan vijfhonderd steden en dorpen platgebrand en tienduizenden Poolse burgers, onder wie veel Joden, vermoord. Ook na de aanval op de Sovjet-Unie, in juni 1941, hebben soldaten van de Wehrmacht veelvuldig meegeholpen aan de ‘zuiveringsacties’ tegen
Joden en
Partizanen. ‘De soldaat moet derhalve ten volle begrip hebben voor de noodzaak om de
Joodse Untermenschen hard doch rechtvaardig te straffen. Dit heeft voorts tot doel om opstanden in de rug van de Wehrmacht, die zoals de ervaring leert altijd door Joden worden beraamd, in de kiem te smoren’, schreef de Duitse veldmaarschalk Walter von
Reichenau (een overtuigde
nazi) op tien oktober 1941 in een beruchte dagorder. Moordpartijen van Duitse soldaten op krijgsgevangenen en op burgers in het algemeen – en Joodse burgers in het bijzonder – waren in
de oorlogsjaren in Oost-Europa geen geïsoleerde incidenten, maar schering en inslag.