Op
Himmlers bevel werden de gaskamers van
Auschwitz-Birkenau in oktober 1944 buiten gebruik gesteld (in het begin van die maand waren nog ongeveer
40.000 mensen vermoord) en vielen alle bouwwerkzaamheden stil. Daarna begon de systematische opheffing van het kamp. Ongeveer de helft van de 155.000 nog in leven zijnde gevangenen werden naar de
concentratiekampen in het westen gebracht: naar
Buchenwald,
Flossenbürg,
Dachau,
Mauthausen en
Bergen-Belsen. Zo belandden de zusjes Anne en Margot Frank, die in september 1944 met het laatste transport uit het Nederlandse
Westerbork naar Auschwitz waren gedeporteerd, ruim een maand later in Bergen-Belsen. Op 17 januari 1945 werd begonnen met de tweede en laatste fase van de ontruiming van het kampcomplex. Ongeveer 58.000 mensen,
de meesten uit
Monowitz en de nevenkampen, moesten naar het westen. Een klein aantal ging per trein, in goederenwagens, het overgrote deel ging te voet door de winterkou. Duizenden zijn tijdens deze dodenmars
gestorven. Wie geen kracht meer had, wilde uitrusten of probeerde te vluchten, werd ter plekke neergeschoten. Velen bevroren of verhongerden onderweg.