Vanaf de tweede helft van 1942 werden kampgevangenen in Auschwitz meer en meer ingezet in de Duitse bewapeningsindustrie. Op 7 kilometer van het basiskamp werd in 1941 het enorme Buna-fabriekcomplex van het Duitse chemieconcern IG Farben uit de grond
gestampt, gebouwd door dwangarbeiders. De fabriek moest synthetisch rubber produceren, maar daar is het in de oorlog nooit van gekomen. De
geallieerden slaagden er in om delen van het complex te
bombarderen. Naast de fabriek stond het werkkamp Monowitz, ook wel Auschwitz III genoemd. Vandaag de dag is de fabriek nog in gebruik. In de buurt van Auschwitz en Monowitz ontstond tussen 1942 en 1944 een heel netwerk van circa 40 nevenkampen. Alle
gevangenen werden uiterst ruw en wreed behandeld, zowel door de
SS, door de kapo’s – gevangenen die de leiding van groepen dwangarbeiders hadden – als door de opzichters van IG Farben. Bekende
overlevenden van Monowitz zijn Primo Levi, de Italiaanse auteur die na de oorlog zijn klemmende herinneringen aan de slavenarbeid in het kamp en in de fabriek publiceerde, en Elie Wiesel, de latere winnaar van de Nobelprijs voor de vrede.
De enorme Buna-fabriek in Monowitz moest zorgen voor de productie van synthetisch rubber. Foto uit 1945. Collectie Bildarchiv Preußischer Kulturbesitz