Auschwitz-Birkenau (ook wel Auschwitz II) was het grote vernietigingskamp dat op drie kilometer van het hoofdkamp Auschwitz I werd gebouwd. Het kamp lag in de buurt van het toenmalige Poolse
dorpje Brzezinka (Duits: Birkenau) en besloeg 175 hectare. Voor de bouw, waar in maart 1941 mee is begonnen, werd de plaatselijke bevolking van dit dorp geëvacueerd en werden de huizen gesloopt. Auschwitz-Birkenau was een vernietigingskamp en een
werkkamp. De meeste gevangenen kwamen aan in spoorwagons die voor veevervoer werden gebruikt, vaak na een dagenlange reis zonder voedsel, water of sanitaire voorzieningen. Velen bezweken tijdens de reis. Meestal vond na aankomst op het perron (Duits:
rampe) buiten het kamp de selectie plaats wie mocht werken en wie zou worden vergast. Sommige transporten zijn in hun geheel direct naar de gaskamers gestuurd. De ‘productie’ van Auschwitz kon worden opgevoerd
toen in 1943 vier grote crematoria werden gebouwd om de lijken te verbranden. Pas in 1944 werden de treinrails en het perron (Rampe) tot in het kamp gelegd, om de massale moord op 440.000 Hongaarse Joden te vereenvoudigen. In Auschwitz-Birkenau stonden
honderden barakken; het kamp was omgeven door diepe sloten en prikkeldraadversperringen onder stroom. Een deel van het kamp was voor vrouwen gereserveerd en er was ook een Zigeunerlager. Van de 23.000
Sinti en
Roma die tussen februari 1943 en juni 1944 naar Auschwitz werden gedeporteerd, zijn er 21.000 vermoord.